Strange world

Strange world

12 april 2018

C.

Laat mij je vertellen wat liefde is, want jij weet daar niet genoeg van. Jij zult nooit van iemand houden zoals ik van jou hield. Jij kunt nooit voor iemand overhebben wat ik voor jou heb overgehad.

Ik had de blues en ik haatte mezelf erom. The blues ain't nothing, the blues ain't nothing, the blues ain't nothing but a good man feeling bad. En zelfs dat klopt niet, want ik was niet goed voor je.

Eerlijk gezegd voelde ik me belachelijk en larmoyant. Voorspelbaar ook. Elk liedje dat ik hoorde, ging over jou. In elke droom speelde jij in technicolor de hoofdrol. Als ik mijn omgeving weer eens vergeten was, dacht ik altijd aan jou. Alle clichés zijn waar en die gedachte is misschien nog wel het pijnlijkst. Want ik ben toch zo anders dan al die anderen?

De kleinste kleinigheid heeft ons van elkaar verwijderd. Ik kan nog steeds niet geloven dat je echt weg bent. Nooit had ik serieus gedacht dat het zo ver zou komen. Als, ja, áls jij in die weken na je boodschap maar eenmaal je hand liefkozend naar me had uitgestoken, was dit allemaal niet nodig geweest. Je had ieder moment terug gekund.

En nu kúnnen we niet meer terug, dat weet ik ook wel. Er is iets onherstelbaars gebeurd. Ik ken je niet meer, weet niet meer wat je doet en denkt en durft. Dit kan niet. Dit mag niet. Dit is helemaal verkeerd.

I got the blues thinking of you. Hoe heb je toch zo kortzichtig kunnen zijn, het zover te laten komen?

30 januari 2018

You caused it

Shadows settle on the place that you left
Our minds are troubled by the emptiness
Destroy the middle, it's a waste of time
From the perfect start - to the finish line

And if you're still breathing, you're the lucky one
'Cause most of us are heaving through corrupted lungs
Setting fire to our insides for fun
Collecting names of the lovers that went wrong
The lovers that went wrong

And if you're still bleeding, you're the lucky one
'Cause most of our feelings, they are dead and they are gone
We're setting fire to our insides for fun
Collecting pictures from a flood that wrecked our home
It was a flood that wrecked this home

And you caused it.

Well I've lost it all, I'm just a silhouette
A lifeless face that you'll soon forget
My eyes are damp from the words you left
Ringing in my head, when you broke my chest
Ringing in my head, when you broke my chest

And if you're in love, then you are the lucky one
'Cause most of us are bitter over someone
Setting fire to our insides for fun
To distract our hearts from ever missing them
But I'm forever missing him

And you caused it.

Daughter - Youth

3 april 2017

Ontspreekwoord

Waterwegen omsluiten tamme hagelwitte schapen, terwijl
over de dam een groene deken lonkt. Geen enkele gaat, geen enkele volgt.

Zo vond ook jij je leven overmatig in het gelid. Eens een dag wat meer dan eten en praten en ademen. Dat doet al iedereen en alles.

Ternauwernood aan je werk en thuis ontsnappen, je baas totzienskussen. Weg uit de kudde, diep inhaleren en allesbehalve grijpbaar leven.

Maar die stap nam je nooit en niemand volgde. Lamgeslagen
bleef je zitten waar je zat, ontevreden je leven verder stagnerend en stil.

En al die tijd groeide de dam graziger, het gras groener, de hemel bewolkter en verschoten de schapen naar zwarter dan wit.

Ik was het die ontsnapte. Ik stapte uit het gelid.

12 augustus 2016

Het stomste silhouet

Het stomste silhouet is dat van een te magere jongen met te grote skaterschoenen en een te hoge pet. Die conclusie kon ik met enige zekerheid trekken toen ik om 06:30 al blauwbekkend van de kou naar een manier zocht om me af te leiden van de eeuwig vertraagde trein. Hij stond een meter of vijf verderop. Toen hij me even daarvoor passeerde, werd hij door het licht van de lantaarnpalen op het perron telkens achtervolgd en ingehaald door zijn eigen schaduw. Ik keek hem na en ergerde me aan zijn houding, aan zijn voeten die door de lompe klomp-achtige skaterschoenen als in een cartoon werden uitvergroot, aan de brede pet die te hoog en scheef op zijn hoofd zat en aan de handen die hij losjes in zijn broekzakken hield terwijl hij voortslofte.

Het meest schrijnende was misschien wel dat dit niet zijn normale outfit was, en dat behalve ik ook alle medepassagiers dat zagen. Het voelde als een mislukte poging om erbij te horen, om zich ‘cool’ te kleden. Of om door zijn omgeving eens te worden gezien als iets anders dan een suffe hendrik. Want dat is wat hij was, dat zag je meteen. Vandaag echter niet. Vandaag had hij besloten om op te vallen, en uit de toon.

Hij moet redelijk zeker zijn geweest dat hij geen bekenden zou tegenkomen op zijn reis. Maar waar ga je heen met een voorkomen als dat van hem? Had hij een boodschap in een stad waar hij niet woonde? Een ex-vriendin die hem door zijn stomme voorkomen eerder had laten zitten? Ik mag van ganser harte hopen dat hij geen sollicitatiegesprek had. In mijn hoofd zag ik hem al nonchalant een kantoor binnen sloffen en de formeel geklede manager zijn knokige, koudklamme hand toesteken. Ergens diep in mijn amygdala registreerde ik hoe de manager vervolgens onder de tafel afkeurend zijn hand afveegde aan zijn strak gesteven pantalon.

Hij slofte me voorbij en stond toen midden in zijn looppad (en dat van alle anderen) stil. Met zijn witte handje woelde hij wat in de zak van zijn halfvergane vest en viste uit die krochten van ellende een voorgedraaid shagje op. In één beweging zat het sneue frommeltje losjes en brandend tussen zijn smalle lippen. Hoe vloeiend hij dat ook leek te willen doen; zijn magere lijf en de weinig geoefende bewegingen van zijn vingers richting zijn lippen tekenden hem niet ouder dan een jaar of zestien, terwijl hij in werkelijkheid bijna het dubbele moet zijn geweest. Waar dacht hij aan, terwijl hij daar zo midden in het looppad stond met zijn shagje en andere passagiers hem mopperend omzeilden? Hij leek in gedachten verzonken, maar dat kon nooit diep zijn. Zijn bleke huid stak af tegen een donker, vlassig snorretje, met een mond die te breed was voor zijn smalle gezicht. Hoe langer ik naar hem keek, hoe meer walging ik voelde. Ik draaide me zonder veel succes van hem weg. In mijn ooghoek bleef ik ongewild zijn bewegingen volgen.

In de verte naderde de trein naar Eindhoven. Het leek me een passende pijnlijke bestemming voor het pijnlijke silhouet naast me. Ook hij spotte de trein, greep het shagje tussen twee vingers en schoot het de spoorweg op. De nog nasmeulende peuk belandde tussen een halfvergaan flesje ice tea green en het pootje van een ooit oranje zonnebril. Terwijl de trein voorreed, gooide hij met vlakke hand twee kauwgoms naar binnen en spoelde ze weg met een te grote slok energiedrank. Nog voordat de deuren volledig open waren geschoven, perste hij zich tegen de uitgaande stroom mensen in naar binnen, de kwade blikken van de passagiers negerend. Ik had respect en verafschuwde hem tegelijkertijd.

Terwijl ik van buitenaf deed alsof ik niet naar binnen keek, zag ik hoe de jongen een plek vond en neerplofte op de beschadigde oude bank van de trein. Hij leunde tegen het raam en trok zijn pet naar beneden. Daar zat hij, half weggedoken in de schaduw van de bank en zijn pet, onder het veel te felle licht van de bijna lege trein op dit tijdstip. Ik staarde naar hem door het glas, half gefocust op meer nare trekjes en half overdenkend wat ik al had gezien, wachtend op het signaal van vertrek. En terwijl de deuren haperend in elkaar schoven en de trein minstens even schokkend in beweging kwam, drong mijn blik plotseling door het raam, recht in de ogen van de schim. Twee vermoeide, bloeddoorlopen ogen staarden me even gevleid als verontwaardigd aan. Ik had de moed niet om mijn blik af te wenden en stak in een reflex mijn hand op in een vage groet, die het midden hield tussen een ongecoördineerde halve zwaai en een lage high five. Als hij al reageerde, zag ik het niet. Hij volgde me met zijn blik terwijl de trein steeds sneller optrok. Opschakelend, rammelend, snelheid makend, verdwijnend. Het stomme silhouet in stilte met zich meevoerend naar onbekende oorden.

10 juli 2016

That

Een man, niet te dik, maar ook niet te dun. Met een volle bos haar, grote kijkers. En zo’n schattig plukje haar op de buik. Een man met brede schouders, of een brede borst, for that matter, een mannelijke eetlust en zin in koffie. Ongeschoren, geschoren, in T-shirt, of een warme trui die je kan stelen. Zijn voeten, die zich verplaatsen over het koude laminaat, nachtmerrieachtig langzaam, als hij met traag en loodzwaar lichaam zich ’s ochtends naar het koffiezetapparaat sleept. Voor jou. Huilen. Pruilen. Bleek worden. Met strakke lippen elkaar de les lezen over elkaars taalgebruik, ergernissen, knuffels. Alles goedmaken. Puritanisme, jaloezie. Derde whisky. Terug in de slaapstand. Onherroepelijk verleden en onherstelbare verliezen. Hoe zou het geweest zijn? Glimlach, nieuwe kleding, zij hangt schone was uit op het balkon, jij kookt. Passie, perversie, beweegreden, patroon. Toekomst, mythen en legenden. Geloof je nog? Ja. Nee. Kijk idioot, de waarheid. Zij op dikke sokken, vlekkerige badjas, te groot T-shirt, rondfladderend. Boodschappen coderen, geheimen decoderen, code kraken. Laat opblijven. Orders voor paté, biscuit, ondergoed maat M, uren die opgaan aan brieven schrijven, SMS'en, films kijken, huilen. Hand in hand door de straten. Deinend haar in de zon op een zonnig briesje, zacht, warm en koel tegelijk als een hand die je wang streelt. Elkaar aankijken, praten, lachen, alles om je heen zien; lawaaiige etalages, ingetogen juweliers, grillige uitstalling achter het raam van een atelier, ronkende personages die rondstappen, trippelende types in muizig bruin en grijs, schreeuwende kinderen in vuile rode of blauwe jacks die zigzaggend langsrennen. Moe maar niet moe op het gras neerploffen. Ons nooit zinloos voelen. Spieren op de juiste plek, zachtheid waar het moet zijn. Kibbelen. Giechelen. Blozen. Neuken. Verbaasd en verrukt. Liefde, hijgt hij.

16 november 2015

Staccato

Ik had hem eigenlijk nooit echt ontmoet, besefte ik pas later. Het waren vooral dromen en het uitwisselen van gedeelde vage interesses geweest wat ons bond. Ons korte treffen, slechts driemaal, stond in de kantlijn als een paragraaf die nooit in het boek zelf was opgenomen. Het was alsof ons bestaan samen teerde op bijna vergeten dagen en gedachtes. Maar hij, die zo klein en zo fijnbesnaard van geest was, zat vastgeketend aan alles wat ik als mijn ware ik beschouwde, delen van mij die ik in het dagelijks leven ver wegstopte omdat niemand ze leek te begrijpen. En daar, in die luwte, leefde hij. Als een geweten zonder oordeel hing hij maar wat rond, en ook hij schuwde het leven. Zijn dagen gingen op aan dromerige muziek en de werelden die anderen schepten in blanco papier. Ook hij was iemand die niemand begreep. Maar hij deed zich in ieder geval niet als een ander voor. Ik wilde dat ik die kunst verstond.

Langzaam maar zeker raakte mijn geest afgeplat. Ik voelde het als ik stond te koken, als ik onderweg was naar mijn werk, of sprak met wie ook maar interesse veinsde. Dan praatte ik over mijn werk, over boodschappen en concerten, over kinderen en huishoudelijk werk. Niet over de dagen die zich steeds langer leken te rekken, doorwaakte nachten die mijn gepieker aanriepen en de waas waarin de dagen voorbij gleden. Ik begreep op zich best hoe het kon. Als je wilt functioneren moet je je conformeren. Aan geldende regels en normen en waarden, aan al dan niet uitgesproken wensen en eisen en aan de generieke geest van je omgeving. Het gemiddelde haalt je omlaag; Ik stagneerde omwille van mijn positie in het alledaagse.

Puur feitelijk gezien maakte de groeiende onwetendheid mij gelukkiger. Ik leek beter in mijn omgeving te passen en mensen leken me steeds minder te zien als iemand die vermeden diende te worden. Als een robot die een enige menselijkheid voelt. Maar diep vanbinnen kwijnde ik weg. De pieken werden lager naarmate de dalen minder steil raakten. Ik miste hoe ik me voelde jaren terug, toen alles nog ingewikkelder was. Toen de nachten rozig en zoet waren, gevuld met muziek, weeïge muzikale klanken en zwaarmoedige overwegingen. Soms dacht ik dat ik mijn volledige leven voor mijn vijfentwintigste levensjaar had doorgemaakt. Alsof het niet meer te overtreffen was. Alsof er al te veel was gebeurd.

Het was het bewegen door de nacht wat me in die periode het meest is bijgebleven. Alleen, langs verlaten weilanden met lichtjes in de verte, terwijl mijn jaszak af en toe oplichtte met een berichtje van hem. En later samen, midden door de stad en aan het water, waar de tijd langzaam aan ons voorbij trok. Die avonden losten even snel op als later mijn herinneringen in het luchtledige verdwenen. Maar het gevoel bleef. Het was nachtelijke weemoed, een zwaar gevoel van gemis, verlangen en verdriet. Een soms misselijkmakend besef dat er niets uitzonderlijks meer zou gebeuren. Dat ik niets meer zou voelen.

Had ik het anders aangepakt, dan was hij minder verloren en ik minder verscheurd. Maar ik kon het niet, ik kon me niet overgeven aan een toekomst die ik niet zag en hij wel. Ik koos voor een leven dat veilig was, vertrouwd, ongecompliceerd. En daarmee koos ik tegen hem. Hij die zijn leven stilletjes leefde en er geen woorden voor zocht. Hij die bevroren raakte in de tijd. Hij die mijn jonge ik had gevoed, geketend en bezweerd, en was gedwongen haar los te laten.

En ik, die niet anders wist dan te worden meegesleurd door het leven.

18 februari 2015

Nouveau comfort

Andy Warhol schreef ooit ‘Either once only, or every day. If you do something once it’s exciting, and if you do it every day it’s exciting. But if you do it, say, twice or just almóst every day, it’s not good any more.’

Ik ben slecht in advies opvolgen, maar dit is er eentje die ik ter harte neem. Tegen je intuïtie in is het namelijk vaak makkelijker om iets praktisch elke dag te doen, dan om het soms te doen. Daarom sta ik élke werkdag om 05:45 op. Ruim ik elke dag mijn mailbox op. En schrijf elke dag iets in mijn willekeurige-spinsels-boekje. Als ik namelijk iets twee, drie of vier dagen per week probeer te doen, verspil ik veel tijd aan het overwegen of het vandaag een van die dagen is, of morgen, of overmorgen; of de week en dus de telling start op zondag of op maandag; of vandaag ook meetelt; of je op feestdagen wel zoiets moet ondernemen, en ga zo maar door. En dat is vermoeiend.

Als ik iets elke dag doe dan wordt het een gewoonte. Oké, gewoonten hebben een slechte reputatie. Het is absoluut waar dat nieuwigheden en uitdagingen leiden tot blijheid, en ik geloof ook dat mensen die hun routines doorbreken, nieuwe dingen proberen en naar nieuwe plekken gaan blijer en uiteindelijk gelukkiger zijn. Ik werkte als bedrijfsjournalist bij een innovatiecentrum en sprak dagelijks enthousiaste ondernemers die ‘geïnspireerd raakten’ en ‘pas echt tot leven kwamen’ toen ze ‘de sleur van hun kantoorbaan’ verlieten en de nieuwe dingen gingen doen die ze altijd al wilden doen.

Maar ik denk dat gewoonten minstens zoveel blijheid brengen. Het plezier van elke dag iets hetzelfde doen, op dezelfde manier, moet niet over het hoofd worden gezien. Nieuwigheid kan voor de meeste mensen namelijk niet zonder gewoonten. De dingen die je dag vastigheid geven krijgen op den duur hun eigen schittering, en geven een soort van onzichtbare, ongrijpbare structuur aan het dagelijks leven. Het geeft net die grip die je nodig hebt om met nieuwigheden en onzekerheden te kunnen omgaan.

Mettertijd kreeg ik door dat voorspelbaarheid gekoppeld is aan een gevoel van veiligheid, een van onze meest fundamentele behoeften als mens. ‘Nieuwe dingen doen’ betekent voor mij dan ook ‘nieuwe gewoonten onderzoeken’. Dat voelt veiliger, vooral in fasen waarin ik de behoefte aan nieuwe situaties en ervaringen niet langer onderdruk. Nieuwigheden die ik normaal uit angst of onzekerheid uit de weg ga.

Vaak zijn de dingen die het ons vermijden te hebben wat we willen hebben, gewoonten die we onbewust door de jaren heen hebben ontwikkeld en die ons brein nu associeert met voorspelbaarheid – waardoor ze goed en betrouwbaar aanvoelen. Paradoxaal genoeg kan het onderkennen en accepteren van deze gewoonten volgens mij genoeg zijn om nieuwe energie te ontwikkelen om nieuwe dingen te doen. Het een kan niet zonder het ander.

Gewoonten hebben hun slechte reputatie absoluut niet verdiend. Wil je openstaan voor nieuwe dingen, dan zul je je gewoontes de ruimte moeten geven. Is er dus iets wat je graag vaker zou willen doen, probeer dat dan dagelijks te doen. Schrijf elke dag, smeer elke dag een lunch, wandel elke dag, lees elke dag. Het is echt makkelijker.

11 februari 2015

Open brief

Zeergeachte roodgejaste 60+-man,

Onlangs liep ik nietsvermoedend door Hoog Catharijne te Utrecht. Toegegeven, ik was ietwat gehaast en mijn werkdag was niet de beste die je kunt doormaken, maar al met al was ik vrij neutraal gezind. Het was echter op het moment dat ik naar de vertrektijden op het grote scherm keek, dat mijn perifere gezichtsveld een signaal van paniek naar mijn hersenen zond. Ik draaide mijn hoofd en jawel: daar stond u. Nietsvermoedend, kalm keuvelend met de dame naast u, in alle glorie in uw gloednieuwe felrode ANWB-jas.
 
De kleur was zo intens dat de angst dat u me bij het passeren een PvdA-flyer in de hand zou drukken me overspoelde. Het daaropvolgende sprintje was niet alleen omdat ik mijn bijna-vertrekkende trein wilde halen.  Wat ik wil zeggen mijnheer: uw jas was wel heel erg rood.

Uw jas was zo rood dat onze nationale vlag bij vergelijking slechts nog een wit-blauwtje te noemen is. Uw jas was zo rood dat ik denk dat het Marco Borsato inspireerde tot zijn welbekende hit en aangekoppelde concertenreeks. Uw jas was zo rood dat de kans groot is dat de Sovjet-Unie u in de nabije toekomst tot eremens kroont en de regie over de Krim aan u overdraagt. Uw jas was zo rood dat Bob Ross helemaal niet zo bang had hoeven zijn voor het gebruiken van Orient Red in lichtgroene landschappen. Uw jas was zo rood… awel, u begrijpt waar ik heen wil.

Het is niet dat ik uw lef niet respecteer. Ik zou een dansje doen van verrukking als ik niet de zondagse soep rook wanneer ik oma’s wijk binnenreed, maar bij binnenkomst een volledige uit meerdere kookboeken gereproduceerde 28-delige Indische rijsttafel aantrof. Ik zou achterop springen bij de bejaarde die zijn rollator inruilt voor een kekke Segway, en ik kan het zelfs door de vingers zien wanneer een oudere medemens zich gedecideerd vanachter de geraniums wegsleept, zijn beige pantalon in de prullenbak mikt en zich in een rode broek hijst. Maar meneer, die rode jas van u? Dat gaat alle aanvaardbaarheid te boven.

Uiteraard kunt u er tot op bepaalde hoogte ook helemaal niets aan doen dat mijn reactie heftig was. Rood is immers van nature een kleur die snel de aandacht trekt en gezien wordt als de kleur van gevaar. Een ‘rode lijst’ is een opsomming van mensen, dieren, etc. waar gevaar aan verbonden is. Rood is een signaalkleur in verkeerslichten en seinen en alarmeert mensen. Rood is namelijk ook de kleur van bloed, voor mensen instinctief verbonden met gevaar. Rood, in variërende tinten, is de kleur van woede, van oorlogsgod Mars, van brand en prostitutie.

Daarbij opgeteld bent u waarschijnlijk getrouwd. Waarschijnlijk zocht uw vrouw de jas uit. Waarschijnlijk heeft ze dezelfde, de vrouwen-variant, heeft u waarschijnlijk ook matchende rode fietsen en laat u waarschijnlijk na een jaar of 45 huwelijk het een en ander maar gewoon gebeuren. Dat begrijp ik mijnheer. Dat is ook maatschappelijk gezien volkomen geaccepteerd en het valt zelfs niet buiten de verwachtingen dat het u door de natuur is ingegeven. Ziet u? U kunt er misschien helemaal niets aan doen dat ik genoodzaakt ben u deze brief te schrijven.

Maar toch, beste gewaardeerde mijnheer met rode jas. De tint van úw rode jas was zo hel (ook rood), dat hij bijna licht gaf. Stoplichtrood. Rode-lijst-rood. Prostitutierood. Mag ik u daarom in nagedachtenis en de woorden van eerdergenoemde Bob Ross een aanbeveling doen vanuit mijn rodelievende hart? ‘Be careful with bright red. It’s a gorgeous, gorgeous color, but it’s so strong.’


21 juli 2014

Verlangen naar

Ach, ik ben niet meer dan
boodschapper van onraad
als ik zijn huis bezoek. Mijn hoofd
kraakt, het pand rilt en ik zoek
mijn weg naar het bed waarin hij
moe gekruld ligt rond het duister.

Ik hang boven zijn hoofd en hij
luistert naar een ander lichaam.
Soms kom ik hem tegen en fluister
stil verlegen dat zijn onwetende lach
mijn hart verdrinkt; verdwaald leef ik in
een wereld die niet de mijne is.

Lacune

Ik heb de nacht totziensgekust
Ik droom steeds vaker overdag
Ik weifel liever dan ik rust en
schoorvoet vaker dan ik mag

Dus blijf ik liever alsmaar wakker
maak mijn baas steeds minder blij
want wat zijn dagen zoveel vlakker
zonder jou zo zonder mij

15 januari 2014

The Spectacular Now

Compared to other kids, I haven’t had that many hardships. Not really. Well, shit’s happened. Stuff’s happened. Sure. But stuff always happens, right? The real challenge of my life, the real hardship, is me. It’s always been me. As long as I can remember I’ve never not been afraid. Afraid of failure, of letting people down, hurting people, gétting hurt... I thought that if I keep my guard up, focused on other things, other people.. if I couldn’t even feel it, then no harm would come to me. I screwed up. Not only did I shut out the pain, I shut out everything. The good ánd the bad. Until there was nothing. It’s fine to just live in the now, but the best part about nów, is there’s another one tomorrow. And I’m gonna start making them count.

26 april 2013

Overwinterhuis


Bij het woord zomerhuis was dit niet het eerste waar je aan dacht. Om te beginnen zag het er helemaal niet zomers uit. De ramen waren smerig en zaten onder het mos, in plaats van dat ze blonken en schitterden in de zon. Ik weet het, het was winter. Maar ook binnen was het niet veel levendiger. Er bevonden zich geen fleurig geschilderde gietijzeren meubeltjes, maar oude kisten en potten met verdroogde verf en vernis die allang niet meer open waren geweest, en beestjes die wegkropen achter stukken hout waarvan niet duidelijk was waarvoor ze ooit hadden gediend. Er had nooit een feestje plaatsgevonden of een buffettafel gestaan, ook was het nooit het decoratieve middelpunt geweest van wat er was overgebleven van de formele tuinen.

Maar wat mij betreft was dat ook nooit het doel van het zomerhuis geweest. Enkele jaren geleden had het gefungeerd als een schuilplaats, een plaats waar we ons terug konden trekken en dromen over het leven wat we eigenlijk zouden willen, maar nooit hadden. Het was een veilige plek om te leren roken, naar muziek uit slechte kwaliteit boxjes te luisteren in de tuin en simpelweg in de verte te staren. Een plek waar we stiekem konden afspreken, ver van de ontzette blikken van onze families.

Goebbels, de kat, zat als een stenen schildwacht op de paal voor het huis, met zijn licht opgezette vacht als maatstaf voor de ijskoude temperatuur buiten. Tussen de vuilnisemmers in de hoek joegen smerige, bruine bladeren elkaar in zanderige cirkels achterna terwijl hij de hoek om kwam. Dat was ook direct het moment dat ik me weer zeventien voelde. We groetten elkaar wat ongemakkelijk en bleven even vertwijfeld staan, voor hij de volgende, heel wat minder krampachtige toenaderingspoging deed. ‘Geef me die kus nou maar’, sprak hij met een jongensachtige grijns, terwijl hij naar voren boog.

Zo dichtbij zag ik zijn gezicht plotseling in alle detail. Het was breder geworden. Toen we zo lang geleden met elkaar optrokken was het smaller geweest, mager bijna. Nu had hij brede schouders en de romp onder zijn trui zag er stevig en gespierd uit. Hij klemde een leren tas onder zijn arm en hield zijn andere hand losjes in zijn zak. Destijds was hij eigenlijk nog maar een jongen geweest en liep ik als jonge vrouw jaren op hem vooruit. Nu leken de rollen omgedraaid. Hij ging me voor naar zijn oude kamer en trok een dekenkist voor het oude kacheltje, dat hij snel aan de praat wist te krijgen. Ik ging zitten, trok mijn benen op, en luisterde naar hoe hij het gesprek hernam dat zoveel jaar terug zo bruut werd afgebroken.

In de ochtend zaten we er nog steeds. Na al die jaren hadden we elkaar teruggevonden – een kort moment van nieuwsgierigheid leidde tot een avond herinneringen ophalen, leidde tot een nacht van elkaar opnieuw ontdekken. We hadden elkaar gemist en wilden elkaar weer vinden op een plek die vanzelfsprekend aanvoelde, die onpartijdig was en ons aan niets deed herinneren. Ik keek nog eens om me heen. Op het moment dat ik er arriveerde, zoveel vroeger deze avond, wist ik al dat de herinneringen snel genoeg zouden terugvloeien. Het zomerhuis van zijn ouders was helemaal niet vrij van gevoelens en emoties. Het was juist een plek waar alles weer zou worden zoals toen.

8 februari 2013

Musk


In de bus was het bedompt en klam, doordat mensen zich er met het natte weer in hadden verschanst, maar ik rook het zodra ik mijn paraplu dichtklapte en binnenrolde. Musk. Terwijl ik een plaats achterin het voertuig zocht spiedde ik om me heen om te ontdekken wie de geur verspreidde, maar kon de bron niet vaststellen. Jammer, want de geur bracht een mooie herinnering terug waarvan ik dacht dat ik hem allang was vergeten.

Ik geloof dat ik een jaar of zeventien was, maar het kan ook eerder zijn geweest. Ik ging in ieder geval destijds nog niet zo vaak op stap.We verzamelden ons in een groep in het park achter mijn huis, of in iemands - ouderloze - woonkamer. We dronken bacardi-cola, apfelkorn, dropshot en passoa, al dan niet met jus. Tegen middernacht stapten we op de fiets richting het enige uitgaanscentrum waar je op die leeftijd terecht kon, en legden de ca. 10 km af alsof het niet zoveel voorstelde. Nog niet zo lang geleden moest ik de route noodgedwongen nog eens afleggen per fiets, maar ik geloof niet dat ik ooit zo op een stuk fietspad heb gezwoegd. Wellicht scheelde het dat we in die tijd flessen sterke drank achterop de fiets meenamen. Bij aankomst waren ze altijd leeg, samen met ten minste een van de banden.

Hoe dan ook, het was zo’n uitgaansgelegenheid waar eigenlijk niet veel aan was, maar waar je uit pure verveling toch veel te lang bleef hangen. Omdat je er vanaf je zestiende al binnen mocht en iedereen in de wijde omgeving dat dus ook deed, was het niet echt gebruikelijk dat je er nog kwam wanneer je de achttien was gepasseerd. De dansvloer was rokerig en afgetrapt en aan de linkerkant van de zaal bevond zich een podiumpje, met geschilderde palmbomen op de achtergrond en een paal in het midden.

Op een van die avonden was ik in behoorlijk beschonken toestand dwars over de dansvloer naar de achterwand van de zaal geschuifeld. Hoe ik hem exact ontmoette weet ik niet, maar ik heb die avond daar urenlang met een jongen doorgebracht. En het bizarre is dat ik me naderhand zijn gezicht nooit heb kunnen herinneren. Wel zijn geur. Musk. Of het dat echt is weet ik niet eens, ik ken de geur niet. Maar het deed me temidden van die groep dansende en zwetende leeftijdsgenoten denken aan groen, aan bos, houtschilfers en mos - een geur die voor mijn gevoel naadloos aansluit bij het woord (of gevoel?) ‘musk’.

Ik had nooit meer aan die schimmige ontmoeting gedacht tot ik het die ochtend rook. Het had zomaar gekund dat een van de jongens in de bus dezelfde was als die avond in de kroeg, 8 jaar geleden en zo’n 150 kilometer verderop, maar al was het zo dan kom ik daar nooit achter. Het houdt me dus al een tijdje bezig hoe het kan dat je van een ervaring die zo intens is, zo weinig kan opslaan. Is dat puur een effect van de alcohol of wil het universum me er iets mee vertellen?

Ik geloof trouwens dat het gebouw inmiddels is afgebrand. Van buiten is dat niet eens direct te zien. Altijd al staken er stukken hout uit de gevel waarvan je geen idee had waar ze voor dienden, en de ruiten waren smerig. Maar het opmerkelijke aan een pand dat in vlammen opgaat is dat die de herinneringen niet verslinden - de plakkerige, rokerige en onbestemde herinneringen van opgroeiende zeventienjarigen die aan de ontzette blikken van hun ouders willen ontsnappen. Op het bot genomen is daaraan ook eigenlijk weinig veranderd.

14 januari 2013

Hello


Hello
It's me again
A whole lot's changed
Since I left and
I don't know, I guess
I felt like checking in

Surprise
You let it ring
Well it's your turn now
To leave me hanging
I don't care I know you love it
When you see me call

I wonder who you're loving now
I'm guessing we won't work things out

You know what they say
You can't have it so you want it back
I'm way past that, believe me
If you could be in my life
like you've been on my mind
It'd be so easy

Hello
It's me again
It's three days now
That you've been in my dreams
And I don't know, I guess
You've just been on my mind
I don't know, I guess
I think about you all the time

I wonder if she's much like me
I wonder if she's what you need

I know I'm to blame
But it kills me that
I made you hate me
Like you've erased me
And I know what they say
They say you will be happier
Better off without me

I'm sure it's hard to see me
I'm sure you don't believe a word
Because you've heard it all before
And we're so far from where we were

Goodbye
I'll let you go
I'll get back to life
And living solo
'cause I know I need a few years on my own


Schuyler Fisk - Hello

13 juli 2012

Corrosie


De tijd dat ik studeerde ligt alweer een tijdje achter me, maar ik heb er absoluut veel van opgestoken. Niet van de colleges zelf, die volgde ik amper, maar de mensen die ik ontmoette brachten me veel waardevols bij. Dat is het fijne van universiteitssteden. Je uitgaansleven was al een studie op zich. Ik had een vast hoekje in mijn stamcafé en de wisselende vrienden die me vergezelden namen zelf ook de meest boeiende mensen met zich mee. Je wist nooit wie er deze keer naast je zou neerstrijken. Eenmaal ontmoette ik daar David Lienhard, een pas afgestudeerde antropoloog met een brede ontwikkeling en een zeer erudiete jongeman. Hij kwam daarna af en toe ook in zijn eentje aanwaaien. Het gesprek ging over boeken en als ik zo’n boek ergens tegenkwam, las ik het. Kierkegaard. Fontane. Benjamin Constant. Christina Stead. Ik las in de tijd dat ik eigenlijk college moest volgen. De verplichte opdrachten in groepsverband interesseerden me niet en hielden me niet lang genoeg bezig. Dus ging ik helemaal niet. Van tijd tot tijd sprong ik op de fiets om een haastig geschreven opdracht te presenteren bij de een of andere docent die op de een of andere manier verantwoordelijk was gemaakt voor het betreffende vak. Voor mijn gevoel werd er ook helemaal niet gedoceerd: als je zelf niet op zoek ging naar kennis werd je die niet aangedragen. Ik was lui en leerde niet.

Maar David sprak met me over Paley en Defoe en Spengler en de staking van Bryant en May en Dostojevski en Henry Mayhew en Trotski en Peterloo. David was een pionier van de interdisciplinaire benadering. Hij was van mening dat iedereen die afgestudeerd was in een specialisme geleerd had nergens anders meer nieuwsgierig naar te zijn. Hij propageerde een nieuw begin vanuit totale onwetendheid. Ik beschouw het als een groot geluk in mijn leven dat ik mensen als David ontmoette.

Veel leerde ik ook van de man op wie ik aan het eind van mijn studie verliefd werd. Vanaf het moment van onze kennismaking intrigeerde hij me. Hij had een mening en was grappig en relaxed en - onpersoonlijk. Persoonlijke zaken hield hij op de een of andere manier op een afstandje. Het was een opgave het gesprek in het persoonlijke te trekken.

Hij werkte al en ik was net afgestudeerd. We brachten samen dagen in Londen door. Een jaar later was ik opnieuw in de stad en keek vanuit mijn hotel neer op de straat waar ik doorheen liep toen ik hem een jaar geleden, ook in de winter, bezocht. We waren vanaf de bioscoop komen lopen, mijn hand in de warmte van de zak van zijn jas, langs verlichte gebouwen, donkere steegjes, voorbij de verlaten parken en rode stadsbussen, allemaal koel en berustend, allemaal glinsterend in het maanlicht. Fonkelend en kalm, zoals ik de stad nooit meer zou zien. De straat was niet minder mooi toen ik hem kortgeleden opnieuw zag, maar hij had geen betekenis meer buiten zichzelf.

Eén mistig, schimmig beeld is op de een of andere manier tekenend voor die hele periode. Ik zag het heel even gebeuren op een late winteravond op het station. Ik was bij hem geweest en stond op de laatste trein te wachten. Windvlagen joegen door de donkere, gapende spelonken van het station. Een man praatte vertwijfeld tegen een vrouw naast de trein. Hij was knap en zij beeldschoon. Hij had zijn handen in haar lange haar en huilde. Zij huilde ook. Ze droeg een witte jas. Ze kusten elkaar voortdurend, wanhopig. Dat soort romantisch verdriet had ik door het lezen van al die boeken verwacht te vinden. Maar ik weet niet zeker of ik het in die periode van mijn leven echt ervoer of het erbij fantaseerde. En zo ja, of ik het er toen meteen bij fantaseerde, of het er later geleidelijk aan toevoegde.

Het enige wat ik weet is dat ik, toen ik uit Londen vertrok en naar Tilburg terugkeerde, achteromkijkend mijn toekomst tegemoet ging. Ik was nog steeds half een meisje. Mijn hart was half gebroken. De stad die ik achterliet, was van begin tot eind gevuld geweest met dermate heftige gevoelens – hoe raar ze ook waren – dat ik nog steeds moeite heb te geloven dat ze niet nog ergens anders bestaan dan in mijn herinnering. Toen ik me dit jaar in die stad door de regen terug naar het hotel haastte, keek ik naar het trottoir en ondervroeg half schertsend het plaveisel. ‘Jullie zijn gemaakt van mooie grote platen steen,’ sprak ik het toe. ‘Zijn jullie dezelfde stenen als waarop ik toen liep? En zo ja, waarom schreeuwen jullie het dan niet uit van verdriet?’

7 juni 2012

Verontrustende schoonheid


Weer een regenachtige dag. Weer heb ik geen zin om naar mijn werk te gaan. Als afleiding heb ik op de heenweg ‘Helaas’ gespeeld met het navigatiesysteem in de auto: als bestemming heb ik het adres van mijn werk opgegeven, en vervolgens heb ik de bevelen van de vrouwenstem – een koude, besliste, en nogal onsympathieke stem – die me de kortste route wees, systematisch genegeerd: ‘Sla NU rechtsaf!’ zei de stem, maar ik antwoordde: ‘Helaas heb ik daar geen zin in’ en reed rechtdoor; de navigator raakte in de war, begon het traject naar mijn bestemming opnieuw te berekenen, en ik moest grinniken. Toen hij een nieuwe route had gevonden, begon de vrouwenstem opnieuw: ‘Sla na honderd meter linksaf’, en ik reageerde met: ‘Helaas zal dat moeilijk gaan’; de stem drong aan: ‘Sla NU linksaf!’, en terwijl ik rechtsaf sloeg zei ik tegen de navigator: ‘Helaas ben ik rechtsaf geslagen’: de navigator raakte weer in verwarring en begon opnieuw de hele route te berekenen, en ik lachte. Er zit iets komisch in het contrast tussen de beslistheid van de bevelen en de schaapachtige onderdanigheid waarmee de computer, nadat de bevelen zijn genegeerd, zonder te protesteren de route opnieuw begint te berekenen. Een soort bot digitaal geduld dat de weerbarstige stem die de bevelen produceert, automatisch belachelijk maakt; het wanhopig komische van apparaten, die steeds maar weer blindelings dezelfde dingen herhalen, zonder alternatieven, zonder andere uitweg dan kapot gaan.

Doordat ik dus een omweg heb gemaakt ben ik alsnog in een goede stemming bij mijn werk aangekomen. Ik besef me dat ik deze keer immers niet in de trein heb hoeven zitten, in de buurt van mooie vrouwen, of welteverstaan één mooie vrouw, die om welke mysterieuze reden dan ook nooit verder dan vier stoelen van me vandaan zit. Samen met een vriendin zit ze daar mooi te zijn, ze kletsen over schoolproblemen, afstuderen en op stap gaan. Van tijd tot tijd barst ze uit in een vulgair gelach, maar vreemd genoeg is het juist dit gelach dat haar aantrekkelijk maakt, en het aantrekkelijke is dat ze zo ontspannen omgaat met het feit dat ze op deze manier lacht, en het accepteert zonder er een probleem van te maken. Dit soort dierlijke aantrekkingskracht dwingt je juist om te letten op de kwaliteiten die ermee gepaard gaan. Zo valt me het geweldige, bovennatuurlijke licht op dat afstraalt van haar groene ogen, licht dat te maken schijnt te hebben met een enorme, mysterieuze energie, misschien dezelfde energie waardoor dat lachen wordt gevoed en die aan haar hele wezen de primitieve sensualiteit verleent van iemand met een heersersmentaliteit. Het is geen schoonheid, eerder een gigantische evolutie daarvan: het is de manier waarop je je onderscheidt in een superieure beschaving die de cultus van de schoonheid achter zich heeft gelaten. Het komt erop neer dat ik mijn ogen niet van haar kan afhouden, het dwingt ze telkens weer af te dwalen naar haar schoonheid.

Ik begrijp dat het belachelijk is, maar ik heb echt de indruk dat ze niet menselijk is, en ik ervaar haar nabijheid als verontrustend. Daarom voel ik opluchting dat ik vandaag niet in die nabijheid heb hoeven zijn, waarin ik me nietig voel, en mensonwaardig. Zij zal zeker niet aan mij denken. Waarom zou ze? Niets verbindt mij vandaag met dat individu, omdat ik er niet was. Nee, ze zal niet aan mij denken. Mensen denken oneindig veel minder aan ons dan wij denken. Ze denken bijna nooit aan ons, dát is de waarheid. Ik zet de auto weg en stap uit. Waarom zou ze het wèl doen? En terwijl ik naar binnen loop is dit de enige gedachte die door mijn hoofd gaat, en het is vreemd maar, terwijl zich nu duizenden mensen bewegen tussen mij en haar, heb ik het gevoel dat ik heel goed weet waarom. Het is echter alsof het antwoord slechts heel even door mijn hoofd flitst, één helder ogenblik, om vervolgens weer te verdwijnen. Te kort om het te vatten. Een vreemde ervaring, zoals wanneer je je iets bijna herinnert en de activiteit van het herinneren zelf het weer verder wegduwt. Zonde.

23 april 2012

Vreemdelingenkoorts

De bus is vertraagd door werkzaamheden. Na een lange dag achter mijn computerscherm kan ik dit er niet bij hebben. Het ging deze week al niet naar mijn zin, elke dag was van acht tot zes volgepland en het merendeel van de tijd had ik niet eens tijd om te lunchen. En als je daar de ijselijke kou en de zuchtende en steunende collega’s op kantoor bij optelt, heb je het recept om me in een zombie te doen veranderen. Braaf lever ik mijn teksten af, maar tegen een uur of vier begint mijn brein zich in nog vreemdere kronkels te wringen dan normaal. Ik staar me blind op het woord ‘groothandel’ en kijk naar een koolmeesje, achter het raam in de struiken, terwijl ik me bedenk wat een raar woord dat is. Groothandel. Groot-handel. Een handel in groot? Groot. Het woord doet me denken aan iets roods, iets ronds, iets wat lijkt op bietjes, en een vogel. Krootjes, Grutto? Ik dwaal af. Mijn blik glijdt terug naar mijn scherm, ik vang een glimp op van de tijd en begin zes minuten voor vijf mijn tas in te pakken. Zes minuten om de bus te halen. Ik graai mijn papierberg bij elkaar, prop die bij mijn laptop in de tas en ren naar buiten - mijn sjaal achter me aan wapperend en in het voorbijgaan ‘tot donderdag!’ roepend naar mijn achterblijvende collega, verbaasd opkijkend van al die plotselinge activiteit.

En nu is de bus dus te laat. Mijn actieve moment glijdt voorbij terwijl ik op de bus wacht, samen met zes andere slachtoffers van het systeem. Zes vreemdelingen voor elkaar, gedwongen om samen te staan en te wachten op het moment dat we uit de bijna benauwende situatie worden bevrijd. Ieder voelt zich bijna verplicht om een gesprek aan te knopen, maar doet het niet. De spanning groeit, de tijd tikt voorbij, de zon gaat langzaam onder, een baby huilt. Mijn geest kronkelt door. Ik besef me hoe vreemd het is om een vreemde voor iemand te zijn. Hoe vreemd het is om jezelf te zien door de ogen van een ander, die jou niet kent. Hij weet niet dat jij dat op dat moment denkt, en wat denken de anderen over mij? De jongen naast me kucht, tikt de as van zijn sigaret en wisselt van standbeen. Rechts van me zoekt een blond meisje iets in haar jaszak, als ze haar hand omhoog haalt kijkt ze verbaasd naar de flippo die ze onverwacht heeft gevonden en glimlacht een tel, voor ze hem bijna beschaamd weer in haar zak terug stopt. Een jongen van mijn leeftijd staat voor me met zijn handen in zijn zakken, zijn blik gericht op het trottoir, alsof hij de tegels telt. Iedere 24 seconden slaakt hij een diepe zucht.

Daar komt de bus. Iedereen stapt in, bijzonder geduldig, bijzonder stil. De bus was leeg voor wij hem betraden. Maar nu zitten en staan er zeven vreemdelingen in een rijdend blikje. Buiten is het donker, binnen fluorescerend verlicht. Iedereen binnen wordt verdubbeld in de busruiten. Als ik naar buiten kijk, zie ik mijn eigen gezicht gereflecteerd in de voorbijschietende etalages. Gezichten veranderen. Van dag tot dag zie ik geen verschil, maar ik weet wel dat ik er anders uitzie dan ik ooit deed. Wie heeft het wel gezien? Een van de vreemdelingen die me door de tijd heen heeft geobserveerd? Gezichten veranderen, foto’s vervagen, alsof je verleden nooit heeft bestaan. Alsof de verleden-tijd-ik niet meer mag bestaan, omdat die zo anders is dan de tegenwoordige-tijd-ik.

Als we aankomen stappen zeven vreemdelingen uit en gaan geluidloos uiteen. Weer verder met onze levens, die heel even met elkaar in aanraking kwamen maar nooit met elkaar verweven zullen raken. Ik wandel naar huis, voel niets nu ik weer alleen ben. In mijn zak het mechanische geluid van een berichtje. Als ik zie dat jij het bent besef ik me dat ik jou wel heb zien veranderen. Dat we vreemden voor elkaar zijn geworden, door de tijd heen, en elkaar daarom weer kunnen zien veranderen. Als een jonge boom die je niet dagelijks ziet en die plotseling in bloei staat, over je heen reikt.

De eindeloze middag duurt eindeloos. Gedachten bekruipen me en laten me los terwijl ik doorwandel. Denken de vreemdelingen ook aan mij? Aan dat meisje met haar verwaaide haar, de te dikke winterjas voor het voorjaarsweer, met de veel te zware laptoptas die haar schouder van haar romp leek te willen rukken? Of denken ze net als ik aan morgen, wanneer we de route weer in stilte afleggen met nieuwe vreemdelingen? Daarom ben ik te laat thuis. Daarom ben ik ietwat eenzaam vanavond.

23 januari 2012

Impulsen

Elke avond nadat ze tegen mijn buik is ingedoezeld en daar een uurtje heeft liggen snorren, besluit mijn kat plotseling, zonder aanleiding, dat het genoeg is geweest. Ze worstelt zich los uit mijn greep, staat op en verplaatst haar nog warme lijfje naar het mandje naast mijn bed, waarbij ze altijd dezelfde route over mijn hoofdkussens volgt, of richting het raam en de aanlokkelijk duistere nacht.

Ik wou dat ik over zulke daadkrachtige impulsen beschikte, die me onaangekondigd overvielen en dwingen over te gaan tot actie. Maar niets is minder waar, helaas. Uitslapen kost me geen moeite. Taken kan ik eindeloos voor me uit schuiven en het moment tussen klaar zijn met douchen en deze daadwerkelijk uitzetten lijkt met het jaar langer te duren (het laatste halfjaar ging ik zelfs in de douchebak zitten en wachtte tot het warme water helemaal op was). Vorig jaar werd ik na drie dagen van helse pijn al hallucinerend en flauwvallend en bovenal heel koppig weigerend om met buikpijn naar de eerste hulp te gaan, verlost van mijn op knappen staande blinde darm. Koppigheid en uitstelgedrag zijn een gevaarlijke combinatie. Genoeg is maar zelden genoeg. Het kan altijd groter, erger, meer, vervelender, zieker, pijnlijker en wat er verder ook maar overtreffend is. Puur feitelijk gezien een positieve levensfilosofie, maar waardeloos in de praktijk omdat het de noodzaak tot het ondernemen van passende actie snel afvlakt.

Nu ben ik iemand die doorgaans wel beschikt over scherpe zintuigen. Zelfs op volle snelheid op de fiets is er geen detail dat me ontgaat. Ik geloof dat dat de reden is dat ik het tot op heden zonder spontane ingevingen heb kunnen stellen. Wat me ongepland zou moeten komen aanwaaien pik ik uiteindelijk vanzelf uit eigen beweging op. Maar het merendeel van de mensen om me heen baseren hun handelen meer en meer op spontane ingevingen en impulsen die van oudsher zijn ingeprent. Slechts eenmaal, in mijn vroege jeugd, was ik ervan overtuigd dat ik iemand had gevonden die net was als ik. Ik heb langer dan nodig was gedaan over mijn zwemdiploma omdat ik mijn hoofd niet boven water kon houden. Zo verklaarde de zwemleraar dat in ieder geval aan mijn ouders. Dus bleef ik net zo lang lessen volgen tot ik dat wel kon. Maar leven moet je maar meteen kunnen en je krijgt ook nooit een diploma. Sommige mensen vinden dat geen probleem. Leven is voor hen: blijven ademen. Wanneer je hart maar pompt en je adem kunt halen, dan leef je. Zo simpel ligt het volgens mij niet. Zwemmen is ook iets heel anders dan slechts je hoofd boven water houden. Een dikke jongen uit mijn tweede jaar zwemles kon heel goed drijven op zijn rug. Hij ging in het water liggen en dreef. En verder deed hij niks. Onze zwemlerares probeerde hem de slagen te leren, maar zodra ze niet keek draaide hij zich op zijn rug om weer te gaan drijven. Hij keek altijd gelukkig wanneer hij dreef, maar zwemles gaat niet om geluk. Iedere keer werd hij weer aan een haak naar de kant getrokken. Dat soort dingen kon ik als kind al niet aanzien. Volgens mij heeft de dikke jongen nooit zijn diploma gehaald terwijl ik zeker weet dat hij nooit zal verdrinken.

Toen we laatst een film zaten te kijken die ernstig tegenviel schoot ik verontwaardigd overeind toen iemand de afstandsbediening pakte en wegzapte. ‘Ik kon het niet meer aanzien,’ verklaarde hij. Nog nooit heb ik een film afgezet omdat hij slecht was. Ik kon ook niet begrijpen dat iemand dat wél kon. Die hele nacht heb ik me afgevraagd hoe de film eindigde, tot ik uiteindelijk maar uit bed ben gestapt en de betreffende film heb opgezocht. Pas toen voelde ik me rustig genoeg en kroop weer onder het dekbed, klaar om te gaan slapen. Dat was ook het moment dat de kat snorrend binnenwandelde en naast mijn bed een zorgvuldig afgekloven muizenlijk deponeerde. Grinnikend ruimde ik het op en concludeerde dat het ook eigenlijk maar goed is dat ik niet beschik over dergelijke impulsen. Een deel van de mensheid zou dan immers hetzelfde lot zijn toegedaan als die domme, dode muis.

6 januari 2012

Sis


I'm a fool to be kind to you
It's not what the men in your life tend to do
Must be so strange: finding someone
who only accepts you

Rejection's a lesson you've had
You're lost in the anger you feel for your dad
But, oh, how he loves you,
there's no doubt
with all his high hopes for you

I could push you away
I could say I don't want you no more
I could drive you right into the floor
And tell you you're useless,
get used to it lady

But I'm big in believing that baby,
you're bigger than that
It's respect for yourself that you lack
And success, it's a mood that you choose
With every step

I want to grow old with you
To hold your old hand and look back on our youth
I will be strong, times I might not
I'm only human

So, be free like a bumble bee
Spread wings like a bird
Squawk like a peacock and
Let your voice be heard



Charlie Winston - Every Step

21 november 2011

Ode aan een dichter

Gedichten over liefde
zijn zo hopeloos en zoet
en voorheen wist ik zeker
dat het niemand nog iets doet

Tot van de week ik trillend
voor de boekenkast bleef staan
daar staarden uw gedichten
vol glorie mij trots aan

‘K heb eventjes staan bladeren
en zette ze toen terug
bleef staande in de bibliotheek
maar staren naar de rug

Want weet u wat het was meneer
die woorden in dat boek
die u gebruikte om te zeggen,
daar was ik naar op zoek

Ik voel me nu door u niet meer
zo'n hopeloos geval
dat wilde ik u zeggen, Hans,
maar’u wist dat denkik al